’Is hij er nog’, zoals we vroeg in de ochtend om
drie, vier, zo’n vijf jaar geleden, ’s zomers opstonden?
Alsof het er niet één zou zijn, zo gaan jaar na jaar om,
en of er geen ander spoor achterbleef dat we vonden:
slechts de draden van de vraag, uiteengerafeld, rondom
de overlevende, in zijn herinnering, –
en bruin-zwart met de blauwe ooglidsluiting
van een mussenoog zou mijn droom komen, uitmonden
in waar ik ben, misschien waar mijn volledigheid naar toeging.
Over wat voor brokstukken struikelend gebeurt het,
wanneer ik op zoek ben, maar het niet vinden kan?
Misschien ga ik naar de Donau-oever en het
is tevergeefs dat ik langs de bomen kijken kan,
zijn lot zweefde op niet-eens-vleugels, net,
en ik hoop alleen dat ik aan mijn einde kom –
laat ik zonder hem niet hoeven leven, daar vraag ik om
laat mijn vlucht er een van twee zijn als het kan,
zodat ik het groeien van onvolledige jaren voorkom.
Wie had gedacht dat het zo zou zijn! Tot dan
hoorde ik de kleine geluiden elke dag
alsof iets anders het had gehoord van
mij, zo voel ik het nu. Alles valt stil op een rij, zag
ik: hij, wij; er wordt een lijn getrokken in het stof van
de nieuwe-wind, dat is de verandering waardoor ik’s nachts
zal ontwaken, weet ik, en tervergeefs straks
zal kijken naar de klok, het wordt geen ’zo’n uur of drie’, ach
bedek mij, blauwheid, beleven moet ik dat nog straks.
PoemWiki 评分
暂无评论 写评论