In de wereld die men niet meer aan kan spreken,
zwijgen de dingen in spinsel geweven.
Zonder halo en zonder gewicht, dicht staan ze,
diep in de mist gedreven.
Er rollen in hen geen rimpelende golven
om de grens van hun materie uit te dijen.
Geen oog kan zien dat meer en donker
in elkaar verdwijnen.
Waterglas-ijs vult elke kloof rondom.
Langs de rand van het landschap vlaagt geen wind.
Er is geen dichtbij, geen ver weg. In de zuivere ruimte,
op haar aangewezen plaats, blind
zit de ziel, zwijgend, als een huiverende vogel.
De ijsspiegel-stilte treedt in. In het verschiet
geen kreet van wilde eenden die haar kan doorbreken.
Wie roept, hoort zijn eigen roepen niet.
PoemWiki 评分
暂无评论 写评论