Weer in het blinde donker, weer in het grensgebied
van het moeras, alsof ik zelf degene ben
die er niet is. Met gestrekte armen probeer ik
de klappen van de boomstammen
te ontwijken, de lage takken, ik laat
mijn voeten glijden in de gladde klei om de kuilen
te vermijden, het modderige water
waarin ik zal verdrinken als ik val.
Dit is het dode landschap van het ongeloof.
En toch, voor die onzichtbare schittering,
voor de hoop, verzoek ik zelfs het water
in de diepe bron van mijn wanhopige ik.
PoemWiki 评分
暂无评论 写评论