Nog was de stilte hoorbaar. Nog het miljoenvoudige
beven van vleugels en van gras, het
suizen van luchtkristallen langs elkaar.
Het ademen van slapenden en zwemmend
vliegen of neerstorten van dromenden.
De fluweeldonkere muziek van de nacht,
haar verzinken in de rulle materie
die de klanken in zich ontvangt.
Want alleen het stervende lichaam
doet de verstarrende wereld voorgoed verstommen.
Niet de bevroren zee – maar hij die
niet langer uitspreken kan het woord zee, of God.
PoemWiki 评分
暂无评论 写评论