’Toen ik de eerste slag op de kerstboom met de bezemsteel uitdeelde
zag ik de kleine zilveren beer naast de gouden beer vandaan verdwijnen,
tussen de brekende takken naar beneden storten, en toen, dit zeg ik niet om
mezelf te verontschuldigen, Mr. Bierce, bekroop mij het gevoel dat mijn daarop
volgende slagen
tamelijk regelmatig vielen, en ook de tussenpauzen mij geen rust
brachten; ik weet niet eens wat het was waardoor ik ophield; ik hield op.
Toen pas bleek hoe verkeerd mijn gevolgtrekking betreffende het lot van
de zilveren beer was; want, onder het, uit de knopen van miniatuur elektriciteitsdraad
bevrijde takkenpuin, tussen versieringsscherven, engelenhaar, schuimringen,
zilveren ijspegels en slingers, iets verderop dan de te vinden resten van de
door een
van mijn latere slagen verbrijzelde gouden beer,
hebben we hem gezond en wel gevonden. Straks ga ik vertellen over
wat ik hierna met de zilveren beer heb gedaan. Opdat hij altijd in mijn
nabijheid en niet helemaal alleen zal zijn, tot er een oplossing komt,
heb ik hem in een groot formaat sigarettendoos gedaan, die ik in de meest
gebruikte linker-bovenla van mijn bureau heb geplaatst.
Ik heb hem in winterse berenslaap gesust en ook in het voorjaar
hebben we hem niet gewekt, we dachten, dat doen we pas als – zoals
ik dat hierboven al heb vermeld; hoewel het moeilijk zou zijn geweest om te
zeggen wat hier
de oplossing zal kunnen zijn. Uiteraard, de volgende winter, ten tijde van de
kerstmarkt
zochten we, maar konden we dergelijke beertjes niet vinden; maar wat als we
ze al
zouden vinden…?
Na elf maanden openden we eindelijk de doos
toen we, bij gebrek aan andere oplossingen, dachten, we kunnen tenminste haar
bewoner
bekijken; en vonden hem in tweeën gebroken, of eigenlijk, in meerdere
fragmenten versplinterd aan de basis van de kleine zilveren schedel. Het is
thans niet
meer te achterhalen
bij welke opening van de lade dit gebeurd is; zelfs zo hadden we geluk,
omdat de twee kanten van het gezicht – het snuitje – volledig gaaf waren gebleven,
en de romp
was ook gaaf; opgevuld met watten konden we hem lijmen. Nu ontbreekt er alleen
het genoemde basisgedeelte van de schedel. Dit, echter, valt niet op,
omdat we de aan elkaar gelijmde beer in watten hebben ingebed,
en zo ging hij terug in de sigarettendoos die hij
op deze manier volledig opvult; zijn ogen zijn nauwelijks te zien
in de witheid. Nu, wanneer ik deze regels schrijf,
is er tenminste één ding zeker, Mr. Bierce: voortaan
mag niemand mij meer beschuldigen, bij zelfs maar het te voorschijn halen van
papier
en het carbonpapier (dit zijn de gereedschappen voor mijn vak),
– ik heb geen juridische kennis – van additionele moord of doodslag
(papier en carbonpapier, zou ik het nog niet hebben vermeld,
bewaar ik in de linker-bovenla, en sinds vorige kerst
bleek ik nogal vruchtbaar).
De rest is mijn zaak; en die van de twee aanhalingstekens,
tot er ook voor mij, datmaal, een ‘andere oplossing’ zal zijn.’
PoemWiki 评分
暂无评论 写评论