Fiamnak
Voor mijn zoon
Ugyanígy lesz-e? Reggelente
Zal het net zo gaan? Zul jij het haten
gyűlölöd majd, ha felkelek,
wanneer ik ‘s ochtends bij het opstaan
harákolok és köpködve a
mijn keel schraap en mijn neus snuit,
mosdóba fújom orromat?
het snot in de wastafel spuug?
Gyűlölöd majd a sziszegő zajt,
Zul jij het sisgeluid haten
ha hólyagomat ürítem?
als ik mijn blaas leeg?
Utálatos lesz-e előtted,
Zul jij het verfoeien als ik me omdraai
ha nők után fordulok, s kezem
om vrouwen na te kijken, en zenuwachtig
babrálom izgatottan, vagy ha
aan mijn handen friemel, of als
maszkszerű vigyorral lesem
het masker van mijn grijns loert
mások arcáról a helyeslést,
naar goedkeuring op de gezichten om mij heen,
tépkedem a szemöldököm,
of als ik aan mijn wenkbrauwharen trek,
körmömmel alig-nőtt borostám
of aan mijn dunne stoppelbaard krab
kapargatom, s hónaljszaga
met mijn nagels, en als de overhemden
lesz a ledobált ingeimnek?
die ik uitdoe mijn oksel blijven dragen?
Undorodsz majd, ha érvelek
Zul je walgen als het opborrelende schuim
s beszédem habos fortyogása
van mijn redevoeringen jou overspoelt,
eláraszt, csak hogy higgy nekem
enkel opdat je me gelooft,
higgy bennem, kiről jól tudod,
opdat je in mij gelooft, van wie je weet
hogy mi vagyok – jobban magamnál?
wat ik ben – beter dan ik dat zelf weet?
Felgyűlik majd
Zul je je afkeren van de tot vervelens toe
szádban a nyál
bekende grimas van de aap in de dierentuin
kéreg-alatti, nyers
die de tralies van zijn rimpels
szódabikarbóna-sava?
forceert? Zal het zuiveringszout
Világot úszó ebihal-röptöd
van je speeksel
másodkéz-forrása vagyok.
zich in je mond als bijtend zuur
Meg nem bocsáthatod, de köpj ki,
onder je bast vandaan ophopen?
kiköpött apádat ne nyeld le!
Ik ben de tweedehans-bron van jouw
S te bocsáss meg nekem, Apám!
wereld-doorzwemmende kikkervisvlucht.
Vergeven kun je mij onmogelijk, maar spuug me uit,
Slik je uitgespuugde vader nu niet door!
En jij, mijn vader, vergeef mij!