Wanneer de avond als een zachte deken
Když soumrak náhle mávne nad světem
van donker glad fluweel, die wordt gespreid
svou přikrývkou, svým černým sametem
door een reusachtige voedster,
a jako chůva, celá úzkostlivá,
de aarde weer langzaam bedekt,
postupně pod ni naši zemi skrývá
zo behoedzaam dat geen grashalm
tak hebce, že se stéblo ani dřík
buigt onder dat donzen dek,
nepohne na jediný okamžik
geen kroonblad kreukelt
a nezvrásní se ani plátky květu,
en het sierlijke vleugelpaar van de vlinder
neposkvrní se duha na křídlech
het regenboogkleurig email niet verliest
motýlů, již si po svém křehkém letu
en uitrust in de schaduw van
hoví v té roušce něžné jako dech,
dit luchtig glad fluweel waarvan
dech beztížnosti, měkký, hebký plyš,
zelfs vlinders het gewicht niet voelen,
tak vláčný, že ho ani necítíš,
dan kunt ge gaan waarheen ge wilt,
i kdybys vyhledal v té hodině
thuisblijven in uw bruine trieste kamer,
svůj smutný pokoj, bloudil v cizině,
of in een koffiehuis met strakke ogen volgen
seděl si v kavárně a hleděl ven
hoe de ene gaslamp na de andere gaslamp
na slunce pouličních luceren,
geelglanzend wordt aangestoken
psa po boku, se díval k měsíci,
of, moegelopen door de heuvels, met uw hond
ve křoví mhouře unavené oči,
door het lover kijken naar de luie maan
nebo jel po vyprahlé silnici
of op een stofbedekte landweg rijden
a na kozliku podřimoval kočí,
achter de koetsier die knikkebolt en slaapt
prožíval závrať v kupé expresu,
of deinen op het voordek van een schip
na lodi kolébavých otřesů,
dat zeeziek maakt of in de kussens van een trein
toulal se městy jen tak nazdařbůh,
of dwalen door een onbekende stad,
z nároží obdivoval jejich ruch,
een hoek om slenteren en vol bewondering
třídy, jež mizí do úběžníků,
kijken naar het ver verschiet van straten
dvojřad lamp na okraji chodníků,
met hun dubbele rij van lichten
anebo v Rivě, tam, kde vlny drobí
of aan de kade in de havenbuurt waar het water
v opále lesků všechny plameny,
in een spiegelbeeld met mat opaal het licht versplintert
proplakal by ses do pradávné doby
mijmerend denken aan een ver verleden,
a zavzpomínal sladce zmatený
zachte droefgeestige herinnering
tou divotvornou lampou starých časů,
aan een voorbije jeugd die als een toverlamp
v níž je i není bohatství a tíže,
een beeld weerkaatst en toch weer niet weerkaatst,
jež nikdy nezůstane bez ohlasu,
herinneringen die nooit koel zijn en
zavzpomínal a hlavu schýlil níže
die een last zijn en toch rijkdom zijn:
k podlaze z mramoru, co zrcadlí
uw hoofd, zwaar van herinneringen, kunt ge daar
svět s jeho půvaby i lákadly,
op het marmer of de aarde laten rusten,
stín bázně by se vloudil do úžasu.
maar wandelend tussen schoonheid en lust
K čemu je hledět na takovou krásu,
voelt ge steeds die lafhartige gedachte:
pomyslíš si ty, osiřelý tvor,
waartoe al die schoonheid?
k čemu je mramor, voda hebce vláčná,
steeds blijft ge, verlaten, denken:
soumraky, stromy, sametová mračna,
waartoe dit fluwelige water en dit bonte marmer,
plující za obzor, i věnce hor,
waarom de avond, deze gevleugelde deken
brázdy vod neoseté hospodáři,
waarom de heuvels en waarom het lover
příliv i stoka, oceán i kal,
en de zee, waarin geen zaaier zaait,
oblaka, Danaovny s tesknou tváří,
waarom de sloot, waarom eb en vloed
Sisyfův balvan slunce, jež nám září,
en de wolken, trieste Danaïden
hlas vzpomínek, proč, kde se tady vzal?
en de zon, die brandende Sysifussteen?
K čemu jsou lampy, luna, k čemu míra
waarom de herinnering en het verleden,
věčného času, který neumírá,
waarom de lampen en de manen,
anebo pohleď na mez, na úval,
waarom de oneindige tijd?
na útlý stonek, za noci i za dne
of neem als voorbeeld de kleine grashalm:
roste, proč roste, zanedlouho zvadne,
waarom groeit gras als het toch verdort,
ale proč zvadne, poroste-li dál?
waarom verdort het als het toch weer groeit?