Byl Kumán, velkooký chlapík,
Een knaap met grote Mongolenogen
znal trýzeň nĕmých tužeb mládí,
gekweld door weemoedig verlangen
své stádo pásl, a tak táhl
hoedde zijn kudde en begaf zich
slavnou maďarskou Hortobádí.
naar de beroemde Hortobágy.
Soumraků, fatamorgán kouzlo
Steeds weer was zijn ziel ingesponnen
stokrát mu vroucnĕ žasnout dalo,
door schemernevels, spiegelingen.
však když mu srdce porozkvetlo,
Maar de ontluikende bloem in hem
lidské stádo je ohryzalo.
wer vertrapt door de mensenhorde.
Tisíckrát opájel se krásou,
Denkend aan de dood, wijn, vrouwen
myslíval na smrt, víno, ženy.
vond hij flonkerend schone beelden.
Kdekoli v jinĕm koutĕ svĕta
In andere delen van de wereld
byl by z nĕho bard všemi ctĕný.
was hij een groot zanger geworden.
On vídal však jen druhy v gatích,
Maar hier werd steeds zijn blik gevangen
šhinavé, tupé, u stád v pustĕ,
door grazend vee, morsige herders.
a hned svou píseň pochovával –
Dan liet hij zijn gezang verstommen
klel či hvízdal si bohapustĕ.
en vloekte hij of floot voor zich heen.