Geen verleden tijd. Het verleden gaat niet over.
We bewaren het, zoals het slijk het stuifmeel
van een lang afgebrand bos op de bodem
van een meer. Nooit komt ten einde wat is geweest:
het houdt op, terwijl het onmogelijk ophouden kan.
Als het gezoem van een bij, verstikt in frambozenjam
waarvandaan zijn zoemen komt, is ons onbekend,
zoals het gezoem van een verre radiozender
in de spleet tussen de twee woorden doorschemert,
tot een of andere hindernis uiteindelijk doorbarst,
op een punt laat de stof los van het heden.
Laten we zeggen, je hypergevoelige camera
filmt de onbevolkte weg, het tarweveld met sneeuwvlekken,
dagen lang, of wat door de wind uiteen gewaaide plassen,
en wanneer je de film ontwikkelt
zie je verbijsterd: door de velden
marcheren in vreemde uniformen soldaten…
Vluchtelingen: te voet, op vrachtwagens,
ze slepen met koffers of duwen volgepakte
kinderwagens, of in schaarse kledij alleen
stromen ze in eindeloze rijen – hun voeten laten
geen spoor achter in het stof op de weg, in de modder van wijngaarden.
Of op weg naar huis wanneer
je op de modderige zandweg onder je auto met panne vandaan
kruipt en ziet dat het donker is geworden om je heen:
in de rimpelige karresporen spiegelt het glinsterende water
een donkere hemel, het gammele bad
schemert amper, de uiteen gevallen kinderwagen
verderop, aan de voeten van de buitenste bomen,
plotseling zweeft voorbij de kale takken, omhoog,
de met gas gevulde ballon van de maan, en in het licht
achter de heuvels vandaan draaien tanks naar voren
in het maanlicht is zelfs het gezicht
achter het stuur zuiver zichtbaar, wanneer het je nadert,
net als je besluit, dit is een filmopname,
en je zou je dichterbij willen wagen: de explosie,
de vlam, de explosie, het lichaam dat aan
het verkolen is, alsof dat wat gebeurd is, niet in staat
zou zijn in de tijd verder te draaien, en alleen zichzelf zou herhalen,
als een grammofoonplaat, die in de beschadigde lucht is blijven steken…
Of je bent beveiligingsbeamte en patrouilleert rond middernacht,
door het licht van je zaklantaarn wordt de grond vol onkruid betast
van het braakliggende terrein, waar op het kille spoor
van het oude huis een parkeerplein of kantoorgebouw
uit de grond verreist, de lichtbundel draait het handvat van een spade,
een plas, een hoop bakstenen tevoorschijn uit
de aarde van de nacht, en door kalk verstijfd gras,
en plots wordt de bundel vastspijkerd door schrik:
te zien is er niets anders dan het zwaarlijvige silhouet
van de betonmolen, maar het is of er zich daar mensen
verdringen, een hele lawaaierige meute,
stampende voeten, klokgelui, het sissen van schroeiend vlees,
temerig gezang in de kerk, in schelle kinder-
stemmen zweven rijmpjes boven de naakte aarde,
een gillende lach gaat over in dronken grootspraak:
als in de nacht uit de muren warmte,
zo wasemt de aarde vreugde en lijden
van in haar verdronken, gezonken levens…
Of je rent op een avond naar buiten om de was
die je daar vergeten was te halen, en je ziet in een briesje
gebarende spoken zonder hoofd, een rij
vliegen zonder vooruit te komen, op de waslijn,
in de ruimte tussen de tuinmuur en de ingang van de kelder,
op het moment dat een raam oplicht, en een reusachtig, geel
licht-vierkant op het donkere gras van de binnenplaats legt,
in vier stukken gehakt door de schaduw van de latten –
het is dezelfde binnenplaats al tien jaar, veertig jaar lang,
en plots voel je: als je teruggaat
naar de verlaten, lege kamer, lawaai,
gegiechel je tegemoet komen, alle lampen zijn aan,
men schenkt rode wijn in lang gebroken glazen,
of alleen één persoon: op de stoel, op zijn vaste plaats,
buiten de lichtkring van de lamp, en zegt: ’Ik ben teruggekeerd,
de volle maan misschien, of de magneet van je pijn
heeft de afdrukken van mijn hier-zijn,
dwalend door de ruimte, tot lichaam samengetrokken, zodat ik, die
ooit slechts over lekkende kranen en gasrekeningen kon praten
kan zeggen, wat ik nog nooit heb verteld,
zodat ook jij vertelt wat je niet hebt gezegd zolang ik leefde.’
PoemWiki 评分
暂无评论 写评论