A: Het verleden komt nooit ten einde. Het heden
– dat is ook het verleden, vermomd.
Roestige wasteil aan de voet van de nog bladloze
vlierbessenstruik, papieren zak, in de lucht geblazen
door de vochtige winden van de vastentijd, zwart weefsel
van takken zich vastklampend aan de hemel,
hun tweelingbroers, de wortels in de grond –
dezelfde lente sinds tien jaar, veertig jaar:
nooit komt een einde aan wat ik lief heb gehad.
B: Maar de tijd valt als een guillotine omlaag.
Tussen verleden en heden is er het in bloed
glijdend lemmet. Het shirt, door de wind weggewaaid,
en dat nu onder de seringenstruik ligt,
vliegt niet weer terug naar de waslijn.
En als iemand een sigaret aansteekt dichtbij
de lekkende gasleiding,
is er geen weg terug vanuit het brandende heden naar het verleden,
twee losstaande kontinenten zijn het ’niet meer’ en het ’nog niet’.
A: Zoals de landmijn veertig jaar lang wacht
in het woeste onkruid
op de hand die zijn ziel, de ontploffing, ontketent,
zoals dode lente spookt in nieuwe lente,
tientallen jaren in ijsschotsen opsluitend
zo blijven haat, liefde wachten,
tot er een nieuw mes zeurt in de oude wond:
nooit gaat de liefde voorbij,
net zomin als haat voorbij kan gaan.
B: Donkere wormen in het stof, zoals vroeger: notenbloesem.
Maar dit is niet hetzelfde stof, en niet die notenboom.
De spin die hier op en neer rent op de wand
van het bad, en de spin die net in de gootsteen is afgevloeid,
zijn hetzelfde, maar niet dezelfde.
Geen list van de genen brengt je dode moeder
terug, hoogstens de droom.
Wat het donker van de gevoelens één lijkt te maken
is vreemd en velerlei in het daglicht.
A: Maar wat bij daglicht vreemd is,
wacht op je in het donker, sinds de eeuwigheid bekend.
Buiten schuimt, kookt de tijd weg, maar binnen
kan iets zich onmogelijk veranderen,
nooit. Boven de tuin van de ouderdom
schijnt de maan van de kindertijd steeds helderder,
er is niet eens een heden, alleen vermomd verleden:
de oude wond zal nooit genezen.
Ik houd van degene van wie ik altijd heb gehouden.
PoemWiki 评分
暂无评论 写评论