Ze wandelen, ze gaan in het park zitten, komen naar buiten, keren
Pasean, se sientan en el parque, salen, el sol:
hun gezicht naar de Zon, de Zon, ze gaan zitten, gaan
viran la cara hacía el sol, se sientan, se
liggen op het gras, lopen rond tussen de struiken
acuestan en la hierba, andan entre los arbustos
praten zachtjes, langzaam, zo naast elkaar
conversan en voz baja, caminan lentamente
en lachen soms ook, iemand lacht scherp
uno al lado del otro
of ze zitten wat op een bankje naar het water te kijken
también a veces ríen, alguien se ríe estrindentemente
dat beetje wind over het water, zoals het rimpelt,
o están sentados en un banco, miran el agua
ze blijven staan onder de bomen, een vogelgeluid
esa pequeña brisa sobre el agua, que lo riza,
en wat een sterke geuren, of het Daar bestaat en
y se paran bajo los árboles, alguna voz de pájaro
hoe het moet zijn dat het stinkt en vuil is en rot
y qué perfumes más fuertes, es que hay Dios
en dat het tenslotte niet uitmaakt waarmee jullie spelen
o como sea, que fétido, sucio y podrido es
dan onderzoeken ze de knoppen, betasten de stammen
todo y al fin de cuentas da lo mismo con qué juegan.
van de bomen en praten daarover of zwijgen
Luego examinan los tallos, palpan
over de bomen, de struiken en wat dat voor gras is
el tronco de los árboles, y hablan o se callan
en over het water, de Zon en de Wind, deze dingen.
de los árboles, de los arbustos, de la hierba que está allá, y
del agua, del sol, y del viento, de todo esto.