Een knaap met grote Mongolenogen
Großäugig; vom Kumanenschlag,
gekweld door weemoedig verlangen
gequält von Traummelancholien,
hoedde zijn kudde en begaf zich
Trieb er sein Vieh, nach der berühmten
naar de beroemde Hortobágy.
Heide von Hortobágy zu ziehen.
Steeds weer was zijn ziel ingesponnen
Entrückt sah er wohl hundertmal
door schemernevels, spiegelingen.
Das Abendrot ins Dunkel gleiten,
Maar de ontluikende bloem in hem
Doch wenn sein Herz erglüht war, kam ein
wer vertrapt door de mensenhorde.
Kuh-Volk, es schmatzend abzuweiden.
Denkend aan de dood, wijn, vrouwen
Verzückt dacht er wohl tausendmal
vond hij flonkerend schone beelden.
Tod, Wein und Fraun in edlen Worten.
In andere delen van de wereld
Ein heilger Sänger wäre er
was hij een groot zanger geworden.
In jedem andren Land geworden.
Maar hier werd steeds zijn blik gevangen
Doch da im Dreck er Kuh und Knechte
door grazend vee, morsige herders.
Hintrotten sah mit blödem Sinn,
Dan liet hij zijn gezang verstommen
Begrub er seine Lieder, fluchte
en vloekte hij of floot voor zich heen.
Oder er pfiff nur vor sich hin.