Kam in de grond, onder water een horloge,
Fésű földben, karóra víz alatt,
vogellijk onder de sneeuw…
Een kerstkaart, honderd jaren oud
madártetem a hóban…
in de door een bom geraakte lade.
Een pak met foto’s: wie nergens meer is,
Száz év előtti karácsonyi lap
staat aan de waterkant, buigt zich over een kind,
zijn donkere haar wordt door de zomerwind uiteengewaaid.
a bombatalálat érte fiókban.
Scherven komen onder de ruïnes van een huis vandaan,
afgebrand in het vuur van de tijd.
Fényképcsomag: aki már nincs sehol,
Het doffe licht van een zaklantaarn spant zich in
vízparton áll, gyerek fölé hajol,
om maar iets uit de nacht te kunnen redden.
Om wat er niet is, tot een geleend-zijn te ontvlammen.
sötét haja lobog a nyári szélben.
Tot as geworden decennia van het verleden
zouden opflitsen in een scherf van een gebroken spiegel.
Szilánkok egy ház romjai alól,
Zoals het schuim kolkt op de steen,
zoals de ring zich verspreidt op het geluidloze water –
amely leégett az idő tüzében.
uiteindelijk blijft het rimpelloze niet-zijn,
alsof er nooit iets zou zijn geweest.
Fakó zseblámpafény erőlködik,
Kam in de grond, een horloge onder water,
hogy kimentsen az éjből valamit.
vogellijk onder de sneeuw slaat men gade…
Een kerstkaart, honderd jaren later,
Kölcsön-létre lobbantsa, ami nincs.
in een door een bom geraakte lade.
Een pak met foto’s: wie nergens meer is, staat
A múlt kihamvadt évtizedeit
aan de waterkant, buigt zich over een kind,
zijn donkere haar uiteengewaaid door de zomerwind.
villantaná törött tükördarab.
Scherven komen onder ruïnes van een huis vandaan
in het vuur van tijd is het vergaan.
Ahogy a kő fölött beforr a hab,
Het doffe licht van een zaklantaarn spant zich in
ahogy a gyűrű szétfut a hangtalan vizen –
om maar iets uit de nacht te redden, te zien.
Om te ontvlammen wat er niet is tot een geleend-zijn.
a végén ránctalan nemlét marad,
Tot as geworden decennia van het verleden zouden zijn
als een flits in een scherf van een gebroken spiegel.
mintha sosem lett volna semmi sem.
Zoals het schuim kolkt op de steen,
zoals de ring zich verspreidt op het geluidloze water – geen-
zijn blijft, rimpelloos, aan het einde,
alsof er nooit iets zou zijn geweest in het zijnde.