Te már fuldoklasz bennem, aki még
Jij bent al aan het stikken in mij, die nog
Tér voltam nélküled, tér, önmagányi.
ruimte was zonder jou, ruimte, groot als zicl eenzaamzelf.
Most már csak a tiéd: a te
Nu alleen nog maar van jou: de ademhaling
Fuldoklásod lélegzete.
van jouw stikken.
Uit de bundel Fragment voor Hamlet, gedichten uit 1958–1964, pas verschenen in 1995.